DBNKV_lucht_desire_vanautgaerden

Doode Bemde en Kliniekvijvers

Beschrijving

Sinds het begin van de jaren ’80 van de vorige eeuw wordt in het gebied tussen Korbeek-Dijle, Oud-Heverlee, Sint-Joris-Weert en Neerijse een natuurreservaat uitgebouwd. Anno 2013 is er ca 248 ha natuurgebied in beheer van de Vrienden van Heverleebos en Meerdaalwoud in samenwerking met Natuurpunt.

De doelstelling van het gebied is de lappendeken van biotopen eigen aan de Dijlevallei te behouden en te optimaliseren in functie van natuurwaarden.
Centraal staat het feit dat dit gebied in de alluviale vlakte van de Dijle ligt en dat zowel bodem als omgeving eerder nutriëntenrijk zijn. Matig voedselrijke habitats worden dan ook als doelstelling naar voor geschoven. Deze uitten zich bvb. in glanshavergraslanden, dottergraslanden en elzenbroekbossen. Uit historische bronnen kan afgeleid worden dat vegetaties van nog schralere bodems (kleine zegge vegetaties, blauwgraslanden) voorkwamen, maar deze lijken de beheerders een onrealistische zaak op grote schaal na te streven.

© Bruno Bergmans
© Bruno Bergmans

 

Centraal in dit gebied stroomt de Dijle. Deze deelt het gebied in een iets bredere westelijke zone en een iets smallere oostelijke zone. Deze laatste zone sluit aan bij de uitlopers van Meerdaalwoud (Kouterbos). De oostelijke zone bestaat uit een drietal komgronden (van zuid naar noord: Toemaat, Doode Bemde
(ss) en Hamel). De Toemaat is een complex van ruigten en afstervende populierenbossen. De Doode Bemde (ss) is een kenmerkende komgrond met rietvegetaties
in het laagste deel met vervolgens een gradiënt van grote zegge ruigte, dottergraslanden en uiteindelijk glanshavergraslanden op de drogere oeverwallen. De Toemaat is in volle ontwikkeling naar een analoog patroon als de Doode Bemde komgrond.

De westelijke zone wordt doorsneden door enerzijds een voormalige trambedding (zuidelijke lus van de wandelroute) en anderzijds de Ijse (noordelijke lus van de wandelroute). In principe is er slechts één komgrond ten zuiden van de Ijse en één ten noorden aanwezig. Vooral de komgrond ten zuiden van de Ijse (de komgrond van Neerijse) wordt actueel ontwikkeld. De zuidwestelijke beboste zone zal bos blijven. Elders wordt er een ruigte/graslandgradiënt nagestreefd, zoals voor de komgrond van de Doode Bemde (ss) beschreven. Hiertoe overstroomt het gebied periodiek en is het
drainagepeil aangepast. Aan de westelijke rand van deze komgrond bevinden zich enkele vijvers, de zogenaamde Kliniekvijvers. Deze worden -gezien hun bescherming als landschap- beheerd als cultuurhistorisch relict van viskweek.

© Johan Nysten
© Johan Nysten

Ten noorden van de Ijse bevindt zich het Langerodebos en de Langerodevijver (Neerijse Grote bron. Het Langerodebos is een historisch oud bos en wordt als dusdanig behouden. De Langerodevijver wordt onder de belangrijkste vogelgebieden beschreven. De overige delen delen van deze komgrond zijn een lappendeken van graslanden, historische boskernen en ruigten.

Kenmerkende soorten

Dagvlinders

De actuele kennis over dagvlinders is dankzij een grondige monitoring goed beschreven. In totaal zijn reeds meer dan 32 soorten vastgesteld. Op mooie zomerdagen kunnen vaak grote aantallen vlinders foeragerend aangetroffen worden op de bloeiende ruigtekruiden.

Uitschieters hierin zijn Grote Weerschijnvlinder en de Iepenpage. Om deze uiterst zeldzame vlinders te zien te krijgen is echter heel veel geluk nodig. Daarnaast hebben zoektochten in verschillende sleedoornstruwelen ook volwassen exemplaren van de Sleedoornpage opgeleverd en is de Doode Bemde in het
Dijleland ook het bolwerk van het Landkaartje.

Libellen

Langsheen de verschillende waterlopen in het gebied is frequent en zelfs talrijk de Weidebeekjuffer waar te nemen. De verschillende vijvers herbergen analoge libellenpopulaties als de andere in de vallei. De verspreiding van de Plasrombout in de zuidelijke Dijlevallei vormt hier voorlopig haar noordgrens. Ook de Vuurlibel, Vroege glazenmaker, Zuidelijke keizerlibel en Bruine korenbout zijn al waargenomen.

Vogels

Het is wellicht onmogelijk om te bepalen welke de meest kenmerkende soort is voor dit gebied! Uiteraard kan u er vrijwel alle watervogels waarnemen als broedvogel, pleisterend of op doortrek. De populaties wijzigen ook samen met de zich wijzigende omgeving. Zo worden nog steeds oude populierenbossen
omgezet naar hooiland, ruigte of bos.

DB_watersnip_jony
Watersnip © Johan Nysten

Door de nabijheid van grote boscomplexen zingen er de Wielewaal en de Zomertortel, al moeten we bij deze soorten helaas stilaan de verleden tijd gaan gebruiken. Verder is een overvliegende Zwarte Specht of Havik niet echt zeldzaam. De spectaculaire vlinderbalts van de Wespendief valt boven de grotere boskernen jaarlijks waar te nemen.

In de lente zingen vanuit de rietvelden Kleine Karekiet, Cetti’s zanger, Rietgors, Sprinkhaanzanger, Bosrietzanger en Blauwborst. Waterral, Zomertaling, Porseleinhoen en Goudvink zijn ook broedvogels. In het voorjaar van 2010 werd er ook regelmatig een zingende Snor opgemerkt.

De Kliniekvijvers zijn een heel stuk kleiner dan de andere vijvers in de vallei en trekken daardoor minder soorten aan. Toch komen er ook de klassieke soorten van de andere vijvers voor. Zo komen Boomvalken tijdens de trekperiode (en vaak ook een groot deel van de zomer) jagen op libellen. Ook voor alle soorten zwaluwen zijn de insecten boven het gebied een levensbelangrijke voedselbron tijdens de trek. Voor de kolonie Oeverzwaluwen in de streek zijn de
vijvers een vaste foerageerplek.

Andere doortrekkers zijn: Grauwe klauwier, Paapje, Purperreiger, Bruine kiekendief, Visarend, Lepelaar en Porseleinhoen. Als er slik in de vijvers ligt, kunnen ook steltlopers gezien worden.

De Klapekster die hier eertijds zijn bolwerk had is spijtig genoeg als broedvogel verdwenen en wordt enkel nog -zij het ook niet jaarlijks- als wintergast gezien. Andere wintergasten in de natte komgronden zijn Watersnip, Waterpieper en Bokje. In groepjes Elzen kunnen dan foeragerende Sijsjes en eventueel ook
Barmsijzen aangetroffen worden.

Zoogdieren

Langsheen de Dijle (oostelijke takken van de wandellus) zijn ’s winters op verschillende plaatsen de vraat- en andere sporen van Bevers te zien. Frappant zijn de omgeknaagde bomen, maar ook maïsvraat, wissels en glijbanen naar de rivier zijn op verschillende plaatsen te zien.

DB_bever_frederik_fluyt

Daarnaast kan men met veel geluk Vos, Hermelijn en Bunzing waarnemen tijdens hun jachtpartijen. Ook Reeën en verschillende vleermuissoorten komen in het gebied voor.

Flora

Nu de komgronden terug tot hooilanden omgevormd worden, steekt de begeleidende flora terug de kop op. In mei zijn de weides op hun best vol roze Echte koekoeksbloemen en gele Grote ratelaars.

Bereikbaarheid

Om een wandeling in de Doode Bemde te starten, zijn er 2 toegangen die je in het hart van het gebied brengen:

  • De parking aan het einde van de Reigerstraat in Oud-Heverlee (de spoorweg over)
  • Vanaf de Elzenstraat nabij het kasteel van Neerijse, te bereiken via de Lindenhoflaan of de Kapelweg. Deze toegang is het dichtst bij de
    Kliniekvijvers.

Vanaf deze toegangen kan je een noordelijke (blauw) en een zuidelijke (rood) wandellus volgen.

Meer info over de bereikbaarheid kan je ook vinden op de website van de Vrienden van Heverleebos en Meerdaalwoud ( www.vhm.be).

Bart Vercoutere